verter
werkwoord, transitief
1. <despejar, derramar [líquido, molho]>
schenken
gieten
2. <entornar, despejar o conteúdo>
leegmaken
omkeren
3. <deitar, jorrar>
vergieten
4. <traduzir [discurso, texto]>
vertalen
omzetten
verter
werkwoord, intransitief
1. <brotar, fluir>
opwellen
stromen
2. <desaguar>
uitmonden
3. <escorrer, ressumar>
druppelen
lekken